Hoeveel u moet verwachten u betaalt voor een goede slotenmaker Waasmunster

Tot slot vinden we met deze kant aangaande het Noordeinde, vlakbij de Haagpoort, nog een gevelsteen in het huis met schoenmaker Hendrick Gerritsz.

Nauwelijks wonder, dat de physische resultaten betreffende het te tezamen bestaan van individuen aangaande zoveel verscheidene rassen, op de aard en de lichaams­gedaante der afstammelingen, uit zo onderscheiden landaard gesproten, zich noodwendig openbaarden. Men beweert dat het tevens daaraan kan zijn toe te schrijven, het een mindere klassen tussen een inwoners betreffende Delft, zelfs na verloop over zowat drie eeuwen, door menig lid der vrouwelijke sekse nog heden ten dage getuigen aangaande de onmiskenbare kracht welken een huwelijken betreffende inboorlingen betreffende vreemden op de lichamelijke vormen en ontwikkeling betreffende het nakroost plegen uit te oefenen.

In de Vlouw treffen wij de woning aan van Pieter Vromans, schilder aangaande beroep, welke zijn verblijf huurde met de vleeshouwer-muzikant Cornelis Florsiz. op een Voldersgracht. In dit gildemeesterboek met het St. Lucasgilde stond deze in 1613 te boek wanneer waterverfschilder. Behalve enige viskopers - vijf in getal -,  schoenmakers, zwaardvegers, kuipers en verschillende woonde in die straat een zekere Jacques Franssoon voor ons kruier in.

Aan een noordzijde der Choorstraat  - in een wandeling Koestraat geheten (In Leiden verbasterde men een Choorstraat tot ‘Kortstraat’) – vinden we alsnog een vertrouwd graveur ofwel ‘plaetsnijder’ zoals een oud-Hollandse benaming luidt. Een aangaande zijn bekendste werken kan zijn een ‘Ware afbeeldinghe van Delflandt’, die in 1611 door hem werden ‘ghemeten, ghecarteert ende int gemakkelijk ghebracht.

. Op website 347 en volgende met bestaan boek geeft Bleyswijck allerhande bijzonderheden over een veranderde bestemming over de verschillende monniken- en nonnenkloosters na een Reformatie. Er bekijken wij bij verschillende het de lokaliteiten aangaande het voormalige klooster later door de Staten van Holland en Westfriesland deels tot ons salpetermagazijn en deels tot berging van ‘andere toerustingh ten Oorlogh’ werden bestemd.

Voorts een huis met de naam ‘Inde Kolff’, het een bewoner van het gilde betreffende St. Nicolaas had gehuurd. (Het woonhuis waar sinds 1641 twee gekruisde kolven prijken, werd in 1882 bewoond door stoffeerder Forma.) In dit Coomanskolf of dit Keysers Hof kwamen de broeders betreffende dit St. Nicolaas- of koopmansgilde 's avonds bijeen teneinde aan de belangen betreffende dit koopmanschap over gedachten te wisselen en ‘in minne versaemt’ tussen ons kanne oud-Delfs te ‘colfferen’.

Tevens woonde er ons ‘brandewijnman’, tapper zullen wij nu zeggen. Was dit Schiedammer nat toentertijd reeds bekend, dan zou deze stellig ‘geneverman’ geheten beschikken over, bijvoorbeeld men in welke tijd verder sprak over een ‘speckman’ indien men een slager bedoelde en een term ‘coolman’ gebruikte vanwege wat we (in 1882)

Ik denk alleen alang juiste prachtige Kathe Krusemuseum wat voor een Den Helder verloren is gegaan. Een Duitsers bestaan daar onwijs happy mee. Je hoeft niet met moderne kunst -en van een poppenmuseum- te behouden teneinde in het betekenis met Den Helder ingeval gemeente ervoor ervoor te zorgen dat deze cultuur-uitingen behouden blijven. Bijvoorbeeld door mijzelf weet zo vaak is opgemerkt geraken een beschikbare gelden niet altijd op ons juiste handelwijze uitgegeven. Je denk hierbij met een totaal onnodige verplaatsing betreffende de schouwburg. Vanwege veel en heel wat niet zo had het cultuurpaleis wegens het centrum behouden moeten blijven. Teneinde de woorden aangaande prof.Cor Molenaar, gericht met mij persoonlijk in een telefoongesprek: U hebt mijzelf toch wel beluisteren zeggen dat cultuur in een binnenstad dien blijven!!! Nu de schouwburg uit het centrum is weggehaald kan zijn dit ons aanleiding te meer: Dit ROB SCHOLTE MUSEUM TE OMARMEN HETGEEN Vanwege Een BINNENSTAD Ons GEWELDIGE OPSTEKER ZAL Bestaan!!!

Naast een brandewijnstoker woonde ons pasteibakker, die met 2 ovens werkte. Daarna alweer ons koekbakker, een 2e in die nabijheid. Verder alsnog ons lakenbereider ofwel drapenier, welke ons Delfse industrie uitoefende, waarvan een laatste sporen enige jaren geleden bestaan verdwenen.

Zij bestonden uit 2 delen, ons bovendeel en een onderstuk, hauts een chausses en basgitaar de chausses. Nu benoemen we enkel het laatste deel een kous.

De bewoner was afwezig en kon dus zelf nauwelijks aangifte doen, maar op welke manier de appelvrouw, welke met haar stalletje vóór de deur placht te zitten, zo precies wist, het in dit huis drie stookplaatsen waren, en de kwartiermeesters dat ingeval juist aannamen, daarover geeft dit register nauwelijks uitsluitsel.

Bovenstaand deel van de Antieke Delft behoorde tot het 15e kwartier of ‘block’ betreffende de stad, het binnen zijn grenzen ons aanzienlijk deel der toenmalige Delftse aristocratie ofwel patri­cische families bevat hield. Aangaande de destijds bloeiende geslachten bestaan daar thans bijna geen enig verdere.

Zijn buurman, volgens dit register ‘capiteyn Peuckee’, had in huur dit woonhuis, op welks gevelsteen dit instrument was afgebeeld, bij de  heren over dit werkzaamheid ingeval ‘Spijckerboor’ of ‘Nagelboor’ vertrouwd.

Dit noordelijke stuk aangaande een oostzijde betreffende de Voorstraat –oudtijds ‘een Nieuwe Klik hier Delft’ geheten -viel bij dit iemand stadskwartier

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *